Riel, de parel van de Zesgehuchten


Home

Historie
Beschermd dorpsgezicht
Omgeving
In de media

Buurtvereniging
Nieuws

Links
Zoeken

Mythe van een schilderende paradijsvogel

De paradijsvogel is uitgeschilderd

Door Peter van Vlerken
(Verschenen in Eindhovens Dagblad, 12 februari 2003)

Wie hem van verre aan zag komen op zijn aftandse fiets, witte manen en lange baard wapperend in de wind, wist het al: daar komt een kunstenaar! Hij hoefde er niet eens een schilderij voor onder de arm te hebben, wat hij overigens wel vaak had. Teun Gijssen zwierf vanuit zijn kot in Riel, bij Eindhoven, door de wereld die hij vastlegde in dikke streken olieverf. Afgelopen weekeinde overleed de schilderende paradijsvogel in een verzorgingshuis in Best, 93 jaren oud.


Teun Gijssen (1910-2003)
(Foto: Gerardus van Mol)

Teun Gijssen beantwoordde aan het romantische beeld van een kunstenaar: eigenzinnig tot op het knorrige af, kluizenaarachtige vrijbuiter, zonder compromissen een volstrekt eigen leven leidend. Een kunstenaar zoals nauwelijks nog bestaat, waardoor Teun Gijssen een zeldzaam exemplaar werd, de moeite van het vastleggen meer dan waard.
Zijn verschijning deed daar nog een schepje bovenop. Wie hem van verre aan zag komen op zijn aftandse fiets, witte manen en lange baard wapperend in de wind, wist het al: daar komt een kunstenaar!
Wie hem zuidelijk van Eindhoven, in of nabij het buurtschap Riel, ontwaarde op zijn fiets was het duidelijk: dat kon niemand anders dan Teun Gijssen zijn, de schilderende paradijsvogel die rondom zijn persoon een kleine mythe had geschapen, een mythe die hem vooruit snelde, ook naar mensen die hem niet of nauwelijks kenden.
De Eindhovense fotograaf Gerardus van Mol maakte honderden foto's van Teun Gijssen die tot over de grenzen prijzen wonnen. Dichter Frans Babylon dichtte over zijn 'door zon en wind verweerd gezicht; de zwerver, wars van elke burgerplicht'. De schilderende Barones van Rijckevorsel portretteerde hem in olieverf, overigens niet geheel en al tot tevredenheid van haar model. 'Het lijkt wel of mijn baard uit mijn neus groeit', zei hij toen hij het geŽxposeerd zag in het kasteel in Geldrop.

Tjalk

Pas gisteren werd bekend dat Teun zaterdag is overleden, niet in zijn houten schilderkot in Riel, dat hoe langer hoe meer onderkomen was geraakt, maar in een verzorgingshuis in Best. Hij stierf een dag na zijn 93-ste verjaardag, 'na een kleurrijk leven, dat geheel gewijd was aan zijn scheppend vermogen', zoals de tekst van zijn overlijdensbericht luidde.
De kleine en ook dierbare mythe van Teun - of Teunis zoals hij officieel heette - Gijssen begon op 7 februari 1910 in het Zeeuwse Hansweert, waar hij als elfde van dertien schipperskinderen werd geboren. Tot tweemaal toe verging de tjalk van zijn vader, zodat hij genoodzaakt was werk op de wal te vinden.
Al op de lagere school viel de jonge Teun op door de mooie tekeningen die hij maakte. In de Eerste Wereldoorlog kwam hij in contact met Belgische kunstenaars die over de grens waren gevlucht. Hij mocht hun schilderskist dragen, hetgeen zijn verlangen aanwakkerde zelf ooit met olieverf aan de slag te gaan. Bij de plaatselijke huisschilder leerde hij hoe die te maken, met pigmenten en lijnolie.
Zestien jaar oud openbaarde zich zijn rusteloosheid, die hem zijn leven lang tot een zwerver langs 's Heren wegen zou maken. In zijn levensonderhoud voorziend met baantjes variŽrend van timmerman tot boerenknecht, trok hij al schilderend het land door.
Via zijn zus, die in Eindhoven woonde, belandde hij halverwege de jaren dertig in deze contreien. Vroege foto's tonen nog een keurige heer, keuvelend met mannen in pak. In de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog vond hij een stuk grond in Riel, waarop hij, verscholen in het groen, een houten keet liet plaatsen waarin hij zijn intrek nam.
Rondom rezen wat aanbouwtjes op, krakkemikkig in elkaar geflanst, en langzaam aan ontstond tussen de landerijen het Gijssen-paradijs, bevolkt door honden en katten, volgestouwd met schilderijen - hij kon slecht afstand doen van zijn werk - en allerhande kringloopspullen.
Voor wie er oog voor had, leek zijn gedoetje een stil protest tegen de geordende burgerlijkheid van de stad die allengs verder oprukte richting Riel, totdat een paar jaar geleden via een vreemde, voor Teun Gijssen volstrekt onbegrijpelijke transactie letterlijk de grond onder zijn voeten werd verkocht. Hij mocht er blijven wonen, dat wel.

Speelfilm

Zijn zwerversnatuur hield Teun Gijssen, ongeschikt voor een enigszins normaal gezinsleven, niet in Riel. Per fiets, later per scooter - meer mythe; meer schildersromantiek! - reisde hij door Europa, kijkend naar de omgeving, studerend op zijn onderwerpen, schilderend en exposerend, zijn eerste prijzen winnend - een medaille van de stad Rome - en zijn eerste, zij het altijd bescheiden gebleven roem vergarend.
Later ging hij de oceaan over, naar de Verenigde Staten en Canada, waar hij nog een tijdje galeriehouder was. In Amerika speelde hij zelfs nog in een heuse speelfilm.
Maar altijd streek de paradijsvogel toch weer neer in Riel. Vrienden, onder wie Gerard Knuvelder en Antoon Coolen bezorgden hem vele tentoonstellingen, die steeds grotere overzichten werden, want Teun Gijssen schilderde er lustig op los: kleurrijke doeken, meestal dik in de verf; vaak Brabants landschappelijk naar onderwerpkeuze maar allengs neigend naar abstractie; werk van een selfmade kunstenaar zoals Kruysen en Van den Braken dat ook waren; zwierig met de kwast of liever nog met het paletmes, ongeveer op een manier zoals zijn baard wapperde in de wind.
Er verschenen een paar kleine monografieŽn, onder meer van de hand van Cas van Houtert en Peter Thoben, die beiden aangetrokken werden door Gijssens excentrieke kunstenaarschap.
Peter Thoben stelde in zijn Museum Kempenland in 1998 de laatste grote overzichtstentoonstelling samen, waarmee het 75-jarig kunstenaarschap van Gijssen werd gevierd. Thoben trekt nog zijn neus op als hij zich herinnert hoe hij de doeken ophaalde in het steeds meer vervuilde, door muizen en ratten aangevreten kunstenaarsparadijs in Riel. Zijn tekeningen had Teun Gijssen, inmiddels bijna doof en achterdochtig geworden, in een blik begraven onder de grond.
De kleine mythe Teun Gijssen werd er ook op het laatst van zijn leven niet minder op. Integendeel.